5.
Handelingen voor en na het fietsen
5.1 Voor gebruik
Om de fiets op een veilige wijze te kunnen gebruiken, dien je enkele handelingen te verrichten. Laat de fiets indien je
gebreken of fouten vaststelt door een opgeleide rijwielhersteller controleren en waar nodig repareren. Rijd nooit met een
defecte of gebrekkige fiets!
Handeling/controle
Controleer de loop van de wielen: til voor- en achterwiel een voor een van de grond en draai aan het
wiel.
→ De wielen moeten licht draaien.
→ De wielen moeten recht, zonder zij- of hoogteslag, draaien.
→ De banden mogen het frame nergens raken.
Controleer de naven op speling: til voor- en achterwiel een voor een van de grond en beweeg de wielen
zijwaarts.
→ Er mag geen speling voelbaar zijn.
Controleer het freewheelsysteem van de achternaaf of de krachtopsluiting zonder problemen werkt:
Ga op de fiets zitten, trek de voorrem aan en trap in stand met matige kracht op de pedalen.
→ De kracht moet op het achterwiel worden overgebracht.
→ Het freewheel mag niet slippen.
Controleer de bandenspanning met een vloerpomp met manometer.
→ De minimale en maximale bandenspanning mag niet onder- of overschreden worden (zie „8.3
Bandenspanning" op pagina 82).
Controleer de banden op beschadigingen en slijtage.
→ Er mogen geen beschadigingen aanwezig zijn.
→ De slijtage mag niet zo ver gevorderd zijn dat de anti-leklaag of de karkasdraden op het loopvlak
zichtbaar zijn.
Controleer de juiste bevestiging van de steekassen.
Controleer het drukpunt van de remmen: Trek in stand een voor een aan beide remhendels.
→ Na ongeveer de helft van de afstand tussen hendel en stuur moet een duidelijk drukpunt voelbaar
zijn.
Controleer de werking van de remmen: Trek in stand een voor een aan de remhendels en beweeg de
fiets van voor naar achter.
→ Het voor- en achterwiel moeten bij ingetrokken remhendel blokkeren.
Controleer remleidingen en aansluitingen op lekkage en defecten.
→ Er mag geen remvloeistof lekken bij de aansluitingen van de remleidingen.
74
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X