Hoe langer de sluiter-/belichtingstijd of hoe snel-
ler de beweging is, hoe duidelijker beide elkaar
overlappende beeldfragmenten verschillen.
Bij het gebruikelijke tijdstip van de flitsontsteking
tot het begin van de belichting, d.w.z. onmiddel-
lijk nadat het 1. sluitergordijn het beeldvenster
volledig heeft geopend, kan dit zelfs tot schijnba-
re tegenstellingen leiden, zoals bij de opname
van de motorfiets (pag. 155 links) die door zijn
eigen lichtsporen wordt ingehaald.
De LEICA R9 stelt u in staat tussen dit gebruikelijke
flits-ontstekingstijdstip en synchronisatie aan het
einde van de belichting te kiezen, d.w.z. onmid-
dellijk voordat het 2. sluitergordijn begint met
het sluiten van het beeldvenster. Het scherpe
beeld bevindt zich in dit geval aan het einde van
de beweging. Deze flitstechniek verleent de foto
(pag. 155 rechts) een natuurlijke indruk van
beweging en dynamiek.
Het flitstijdstip wordt op de keuzehendel voor het
synchronisatietijdstip (1.7) ingesteld:
• Stand I: Flits na het 1. sluitergordijn
• Stand II: Flits voor het 2. sluitergordijn
Opmerkingen:
Bij het flitsen met de synchrone en kortere slui-
tertijden ontstaat behalve bij zeer snelle bewe-
gingen nauwelijks verschil tussen de beide flits-
tijdstippen.
De keuze van het 2. sluitergordijn heeft bij de
stroboscoop-flitsfunctie geen effect.
156
1.7
1.8