Omdat de functies P , A en T op basis van het
omgevingslicht al een normaal belichte opname
produceren, moet het flitsvermogen verminderd,
d.w.z. een flits-belichtingscorrectie van bijv. –1
EV tot – 2 EV ingesteld worden. Bij modernen
flitsapparaten wordt het op het objectief inge-
stelde diafragma aan het flitsapparaat doorgege-
ven en automatisch als computerdiafragma gede-
finieerd. Voor de meting worden de op de came-
ra ingestelde filmgevoeligheid en eventueel inge-
stelde belichtingscorrecties voor het omgevings-
licht en de flits in acht genomen.
Handmatig flitsen met constant flitsvermogen
Wanneer het flitsapparaat in de handmatige flits-
functie met vol vermogen of vast deelvermogen
(voorzover instelbaar op het flitsapparaat) wordt
gebruikt, vindt geen regeling van de afgegeven
lichthoeveelheid plaats. De belichtingsfuncties
van de camera verlopen in principe op dezelfde
wijze als zonder flits, als kortste sluitertijd wordt
echter de flitssynchronisatietijd 1/250 s gereali-
seerd. Wanneer door deze begrenzing overbe-
lichting ontstaat, wordt dit door knipperen van
de tijdindicatie 2 2 5 5 0 0 (2.9 a) bij de automatische
belichtingsfuncties, of bij m door de lichtschaal
(2.8) in de zoeker aangegeven.
Het in te stellen objectiefdiafragma resulteert uit
flitsvermogen, filmgevoeligheid en afstand tot
het motief, of omgekeerd, het in te stellen
gedeeltelijke flitsvermogen resulteert uit diafrag-
ma, filmgevoeligheid, brandpuntsafstand en
afstand tot het motief (zie handleiding flitsappa-
raat). Het kan echter ook door de camera met
een flitsmeting worden bepaald (zie "Flitsmeting
voor de opname – F ", pag. 178).
169