Bepaling van de flitsbelichting
1. Richt het selectieve meetveld van de instelring
op het betreffende motiefdetail / het hoofd-
motief en
2. activeer door volledig neerdrukken van de
scherptediepteschuif (1.3) de voorflits (afhan-
kelijk van helderheid en afstand van het motief
wordt het daardoor gegenereerde aantal voor-
flitsen automatisch geregeld).
Opmerking:
Voor het activeren van voorflitsen moet de came-
ra zijn opgetrokken, d.w.z. de sluiter moet
gespannen zijn.
De indicaties:
In de zoeker wordt het knipperende symbool
voor selectieve meting weer door dat van de
ingestelde meetmethode vervangen. Wanneer
het gemeten motiefdeel zich buiten het flitsbe-
reik bevindt, d.w.z. het is te dichtbij of veraf, ver-
schijnt gedurende 4 s een waarschuwing
(2.9 b).
In de display van het flitsapparaat wordt vervol-
gens de voor het motiefdeel berekende maximale
reikwijdte getoond.
Na de voorflits(en) blijft het meetresultaat van de
camera gedurende een verlengde weergave van
20 s (d.w.z. zolang de indicaties zijn te zien) en
onafhankelijk van het resultaat van de meting
van het omgevingslicht opgeslagen, zodat u het
beeldfragment vrij en in alle rust kunt kiezen.
Onafhankelijk van de opgeslagen flitsmeting kan
in de camerafunctie A ook de meting van het
omgevingslicht worden opgeslagen.
Wanneer vervolgens de camera wordt ontspan-
nen, vindt op basis van het meetresultaat van de
TTL-voorflits een door het richtgetal gestuurde,
d.w.z. op de berekende afstand van het motief
afgestemde flitsbelichting voor invulling plaats
met een automatische correctie van –1
Ook na de opname verschijnt gedurende 4s de
waarschuwing
motiefdeel zich buiten het flitsbereik bevond,
d.w.z. dat het te dichtbij of veraf was.
/
176
/
(2.9 b) als het gemeten
2
/
EV.
3