Flits op het eerste sluitergordijn
Keuze van het synchronisatietijdstip
De belichting van flitsopnamen vindt plaats met
twee lichtbronnen, de aanwezige – en het flits-
licht. De uitsluitend of overwegend door het flits-
licht belichte motiefdelen worden daarbij door de
uitzonderlijk korte lichtimpuls bijna altijd (bij cor-
recte scherpte-instelling) gestoken scherp weer-
gegeven. Daarentegen worden alle andere
motiefdelen – namelijk de delen die voldoende
door het aanwezige licht zijn belicht, resp. zelf
oplichten – in hetzelfde beeld met wisselende
scherpte afgebeeld.
Flits op het tweede sluitergordijn
Of deze motiefdelen scherp of onduidelijk wor-
den weergegeven, resp. hoe groot de "vaagheid"
is, wordt door twee van elkaar afhankelijke facto-
ren bepaald,
1. de lengte van de belichtingstijd, d.w.z. hoe lang
deze motiefdelen op de film "inwerken", en
2. hoe snel deze motiefdelen – of ook de camera
zelf – tijdens de opname bewegen.
155