3.
Haal de stergreepmoeren (3) aan beide zijden goed
aan.
4.
Breng de kabelklem (5) op de linkerzijde van de onder-
ste duwbeugel (4) aan.
5.
Fixeer de kabel van de beugel voor de veiligheidsscha-
kelaar (2) met de kabelklem (5) op de duwbeugel (4) en
vergrendel de kabelklem (5).
9.2 Vangkorf inhangen (afb. 5)
1.
Til de uitwerpklep (13) met een hand op de greep op
en haak de vangkorf (16) met de andere hand op de
handgreep van bovenaf er in.
Let op! Voor het inhaken van de vangkorf moet de
2.
motor worden uitgeschakeld en mag de meswals niet
draaien!
10. Voor de ingebruikname
m LET OP!
Het apparaat moet voor de ingebruikname volle-
dig zijn gemonteerd!
m WAARSCHUWING!
Gevaar voor de gezondheid!
Bij het inademen van benzine-/smeeroliedampen en uitlaat-
gassen kan er ernstige gezondheidsschade, bewusteloosheid
ontstaan en dit in extreme gevallen zelfs tot de dood leiden.
- Adem benzine-;smeeroliedampen en uitlaatgassen niet in.
- Gebruik het product alleen in de open lucht.
AANWIJZING!
Productbeschadiging
Als het product zonder of met te weinig motor- of transmissie-
olie wordt gebruikt, kan dit tot motorschade leiden.
- Vul voor de ingebruikname benzine en olie in. Het product
wordt zonder motor- of transmissieolie geleverd.
AANWIJZING!
Milieuschade!
Uitgelopen olie kan het milieu ernstig verontreinigen. De vloei-
stof is zeer giftig en kan snel tot waterverontreiniging leiden.
- Olie alleen vullen/aftappen op effen, stevige ondergronden.
- Gebruik een vulpijp of trechter.
- Vang afgetapte olie in een geschikte container op.
- Veeg gemorste olie direct zorgvuldig weg en verwijder de
doek conform de lokale voorschriften.
- Verwijder olie conform de lokale voorschriften.
AANWIJZING!
Risico op materiële schade!
Indien incorrect opgeslagen of niet afgetapte brandstoffen
worden gebruikt, kan de carburateur verstoppen of de wer-
king van de motor beïnvloeden.
- Voer brandstof wat u niet nodig heeft, in een luchtdichte
tank en bewaar deze in een donkere, koele ruimte.
Controle voor gebruik
• Controleer alle zijdes van de motor op olie of brandstoflek-
ken.
• Controleer het motoroliepeil.
56
NL/BE
• Controleer het brandstofpeil – de tank moet minstens half-
vol zijn.
• Controleer de conditie van het luchtfilter.
• Controleer de conditie van de brandstofleidingen.
• Let op tekenen van schade.
• Controleer of alle veiligheidsafdekkingen zijn aangebracht
en of alle schroeven, moeren en pennen zijn aangedraaid.
10.1 Motorolie bijvullen (afb. 6)
m Let op!
Het apparaat wordt geleverd zonder motorolie.
Voor ingebruikname daarom altijd olie bijvullen.
Gebruik hiervoor universele olie (10W-30 of 10W-
40 (afhankelijk van de bedrijfstemperatuur)).
Controleer regelmatig voor elk gebruik het oliepeil. Een te
laag oliepeil kan de motor beschadigen.
1.
Plaats het apparaat op een vlak, recht oppervlak.
2.
Schroef de oliepeilstok (8) los.
3.
Vul de tank met motorolie met behulp van een trechter
(niet bij de levering inbegrepen). Let op de max. vulhoe-
veelheid van 600 ml. Vul de olie voorzichtig bij tot aan
de onderkant van de vulpijp.
4.
Veeg de oliepeilstok (8) met een schone, pluisvrije doek
schoon.
5.
Voer de oliepeilstok (8) weer in en controleer het oliepeil zon-
der de peilstok weer vast te schroeven.
6.
Het oliepeil moet binnen de middelste markering op de
oliepeilstok staan.
7.
Als het oliepeil te laag is, voeg dan de aanbevolen hoe-
veelheid olie toe (max. 600 ml).
8.
Schroef de oliepeilstok (8) vervolgens weer vast.
10.2 Benzine bijvullen (afb. 7 + 13)
m Let op!
Het apparaat wordt geleverd zonder benzine.
Voor ingebruikname daarom altijd benzine bij-
vullen. Gebruik hiervoor Super E10 benzine.
1.
Maak de omgeving van het vulgedeelte schoon. Veront-
reinigingen in de tank veroorzaken bedrijfsstoringen.
2.
Open voorzichtig de tankdop (6b) zodat eventuele over-
druk kan ontsnappen.
3.
Vul de benzinetank (6) met behulp van een trechter (niet
bij de levering inbegrepen) met benzine (Super E10). Let
op de max. vulcapaciteit van 3,6 liter. Vul voorzichtig de
benzine bij tot aan de onderkant van de vulpijp.
4.
Sluit de tankdop (6b) weer. Controleer of het tankdeksel
goed is afgesloten.
5.
Reinig de tankdop (6b) en de omgeving goed schoon.
6.
Controleer de benzinetank (6) en de brandstofleidingen
op lekkages.
7.
Neem minimaal drie meter van de plek waar u brandstof
hebt bijgevuld voordat u de motor start.
• Gebruik geen reeds gebruikte en verontreinigde benzine.
Laat geen vuil en water in de benzinetank (6) komen.