NL
● Tank niet binnenshuis of wanneer de motor draait. Vul de
brandstof bij in een goed geventileerde ruimte met
stilstaande motor.
● Bewaar en behandel benzine uit de buurt van vonken,
open vuur, hitte en andere ontstekingsbronnen. Roken is
verboden! Houd uw handen en voeten uit de buurt van
bewegende delen. Gebruik geen startvloeistof. De
dampen zijn zeer ontvlambaar.
● Rook niet waar benzine is opgeslagen of wanneer
benzine wordt bijgevuld.
● Vul de tank niet te vol. Vervang de tankdop op de juiste
manier na het vullen.
Let op. Er kan een plastic deksel in de brandstofvulbuis
zitten om de tank tijdens de fabricage te beschermen.
Verwijder deze hoes en gooi deze weg. Vervang de
tankdop na het tanken.
● Mors geen brandstof, gemorste brandstof en
brandstofdampen kunnen brandgevaar opleveren.
Veeg gemorste brandstof weg voordat u de motor start.
● Zorg ervoor dat uw huid niet in contact komt met
brandstof en dat u geen brandstofdampen inademt.
● Maak het gebied rond de tankdop schoon voordat
u deze opent.
5.8.1 Het brandstofniveau controleren
Binnen in de brandstoftank bevindt zich een
brandstofindicator. Vul de tank tot de brandstof de rode
stopplaat aan de binnenkant van de zeef (A) bereikt, niet
hoger vullen. (Afbeelding 11)
5.9 Het motoroliepeil controleren
Voorzichtig! Controleer het oliepeil voordat u het
product gebruikt en na elke vijf werkuren.
Voorzichtig! De motor wordt zonder olie geleverd!
Start de motor niet zonder voldoende olie! Er bestaat een
risico op ernstige motorschade. Vul de motor met olie en
controleer het oliepeil voordat u de motor start.
Voorzichtig!
Niet te ver vullen! Hierdoor kan de
motor gaan roken, moeilijk starten of roet op de bougie
veroorzaken.
● Controleer het oliepeil van de motor op een vlakke
ondergrond terwijl de motor is uitgeschakeld.
1
Verwijder de olievuldop met de peilstok en veeg de
peilstok schoon.
2
Plaats de vuldop met de peilstok terug zonder deze
vast te draaien.
116
3
Verwijder de olievuldop met de peilstok opnieuw
en controleer de oliemarkering op de peilstok. Zorg
ervoor dat het oliegehalte tussen de markeringen
H en L ligt. (Afbeelding 12)
4
Vul de olie bij als het niveau te laag is. Gebruik
motorolie met de juiste viscositeit. Zie '9 Technische
gegevens' op pagina 119.
5
Plaats de vuldop terug door de peilstok en draai
deze vast.
5.10 De motorolie verversen
Voorzichtig! Gebruikte olie moet worden weggegooid
in overeenstemming met de plaatselijke regelgeving.
1
Plaats een geschikte container onder de aftapplug.
2
Verwijder de aftapplug.
3
Kantel de motor zodat de olie in de container kan lopen.
4
Maak de aftapplug weer vast en draai deze vast.
5
Vul olie van de aanbevolen kwaliteit bij tot de
bovengrens.
Let op! Was na het verversen van de olie uw handen of
andere lichaamsdelen die in contact zijn gekomen met de
olie met water en zeep.
5.11 De
bougie controleren
Waarschuwing!
De uitlaatdemper wordt tijdens
gebruik erg heet en blijft lang warm nadat de motor is
gestopt. Raak de uitlaatdemper niet aan: er bestaat kans
op brandwonden.
Let op! Om de motor goed te laten presteren moet de
bougie schoon zijn en de juiste vonkbrug hebben.
1
Verwijder de dop van de bougie en verwijder de
bougie met een bougiesleutel. (Afbeelding 13)
2
Inspecteer de bougie. Gooi de bougie weg als deze
zichtbaar versleten is of als de isolator gebarsten of
kapot is
3
Reinig de bougie met een staalborstel als deze
opnieuw moet worden gebruikt.
5.11.1 De opening van de bougie meten
Voorzichtig! Draai de bougie goed vast. Losse
bougies kunnen oververhit raken en de motor beschadigen.