NL
6.3
Vullen met brandstof (27, 29)
WAARSCHUWING! Brand- en explosie-
gevaar. Wanneer brandstof ontsnapt ontstaat
een explosief benzine-luchtmengsel. Door een
ondeskundige omgang met brandstoffen kunnen
deze ontsteken, exploderen en ontbranden, wat
tot zwaar letsel en zelfs sterfgevallen kan leiden.
■
Vul de brandstoftank alleen buiten en niet als
de motor draait of nog heet is.
■
Rook niet tijdens de hantering met brandstof.
Gebruik bij het tanken van brandstof een ge-
schikte vultrechter of vulbuis om zo te voorkomen
dat er brandstof wordt gemorst op de motor, de
behuizing of op de ondergrond.
Uit veiligheidsoverwegingen moeten de brand-
stoftankdop en andere tankdoppen worden ver-
vangen wanneer deze beschadigd zijn.
Wanneer brandstof is overgelopen, mag de mo-
tor niet worden gestart. De zitmaaier moet wor-
den verwijderd van de plaats die vervuild is door
brandstof en de gemorste brandstof moet met
een doek worden geabsorbeerd en weggeveegd
van de grond, de motor en de behuizing.
Er mag geen poging tot starten worden onderno-
men, tot de brandstofdampen verdampt zijn.
Sla brandstof enkel op in de containers die daar-
voor voorzien zijn.
Gebruik loodvrije benzine, min. RON 91.
OPMERKING Neem voor gedetailleerde in-
formatie de aparte gebruikershandleiding van de
motor in acht.
Tank vullen
1. Zet de motor uit en haal voor de zekerheid de
sleutel uit het contactslot.
2. Voor de vermindering van het explosiege-
vaar: Wacht tot de motor iets is afgekoeld.
3. Klap de stoel naar voren en open het deksel
(27/1) naar de motorruimte (27/a).
4. Open de tankdop (29/1) en doe brandstof in
de tank (29/2).
Opmerking: Doe de brandstoftank niet te
vol!
5. Sluit de tankdop.
6. Sluit het deksel naar de motorruimte en klapt
de stoel terug (27).
22
R7-62.5 | R7-63.8 A | R7-65.8 HD
Montage