NL
beschadigd zijn en of er geen andere
factoren zijn die de werking nadelig
kunnen beïnvloeden.
2.
Maak het product na elk gebruik aan
de buitenkant schoon met een vochtige
doek.
3.
Blaas de binnenkant van het product
regelmatig schoon met perslucht, om stof
en vuil te verwijderen.
WAARSCHUWING!
Als het snoer of de stekker beschadigd is,
moet deze worden vervangen door een
erkende onderhoudsmonteur of ander
gekwalificeerd personeel om gevaar te
voorkomen.
PROBLEEMOPLOSSING
WAARSCHUWING!
Schakel het product uit, haal de stekker uit
het stopcontact en ontlaad de elektrode naar
aarde voorfdat u het product controleert.
onderhoudt en/of reinigt, anders bestaat er
gevaar voor ernstig persoonlijk letsel.
INSTABIELE ELEKTRISCHE BOOG
•
Losse kabel naar brander of aardklem.
Controleer of alle aansluitingen goed
vastzitten.
•
De toorts is beschadigd of leidingen in de
toorts zijn losgeraakt. Laat de toorts
controleren en repareren of vervangen
door vakkundig personeel.
HET PRODUCT START
NIET WANNEER DE
STROOMSCHAKELAAR IN DE
AANSTAND WORDT GEZET
•
De oververhittingsbeveiliging is
geactiveerd. Laat het product afkoelen
totdat het rode controlelampje voor
oververhitting dooft en ga dan verder met
het werk. Werk korter of neem langere
78
pauzes om de slijtage aan het product en
het risico van oververhitting te beperken.
•
De schakelaar is defect. Laat de schakelaar
repareren of vervangen door vakkundig
personeel.
•
De ingebouwde zekering is gesprongen.
Laat de zekering door vakkundig
personeel controleren en zo nodig
vervangen.
ELEKTRISCHE BOOG IS ZWAK
•
Ongeschikte netspanning. Laat een erkend
elektricien het elektriciteitsnet in het pand
controleren en zo nodig repareren.
DE ELEKTRISCHE BOOG WORDT
NIET ONTSTOKEN
•
Onvoldoende aarding. Controleer of de
aardklem correct op het werkstuk is
aangesloten en of het werkstuk schoon is
bij de aardklem en het bewerkingspunt.
•
Het mondstuk is versleten of heeft een
verkeerde grootte. Controleer of het
mondstuk de juiste maat heeft voor de
toorts. Controleer of het gat in het
uiteinde van het mondstuk niet is
vervormd, te groot is geworden of vuil is.
Vervang indien nodig door een geschikt
mondstuk.
GEEN GASSTROOM
•
Het mondstuk is verstopt. Reinig het
mondstuk. Vervang het als het beschadigd
is.
•
De drukregelaar is gesloten. Controleer of
de regelaar correct is afgesteld.
•
De luchtslang is geblokkeerd. Controleer
de luchttoevoerslang en de luchtslang in
de toortskabel.
HET PRODUCT RAAKT OVERVERHIT
•
Ingangsspanning is te hoog of te laag.
Laat een erkend elektricien het
elektriciteitsnet in het pand controleren
en zo nodig repareren.