3
Installatie
3.1 Plaats van de pomp
–
Installeer de pomp zo dicht mogelijk bij het zwembad. Gebruik korte, rechtstreekse aanzuig- en
retourleidingen om wrijvingsverlies te beperken en de efficiëntie te verbeteren.
–
Vermijd direct zonlicht, hitte of regen. Het is aanbevolen om de pomp binnen of in de schaduw te plaatsen.
–
Installeer de pomp NIET op een vochtige of niet-geventileerde plaats. Houd de pomp en motor ten minste
150 mm verwijderd van obstakels; bij pompmotoren moet de lucht vrij kunnen circuleren voor het afkoelen.
–
De pomp moet horizontaal worden geïnstalleerd en met schroeven in het gat op de steun worden
bevestigd om onnodig lawaai en trillingen te voorkomen.
3.2 Leidingen
–
Voor een optimale zwembadleidinginstallatie is het aanbevolen een buis van 63 mm te gebruiken. Gebruik
bij het installeren van de inlaat- en uitlaatfittingen (verbindingen) het speciale afdichtmiddel voor pvc.
–
De leiding aan de aanzuigzijde van de pomp moet een even grote of grotere diameter dan de inlaat
hebben om te voorkomen dat de pomp lucht aanzuigt, waardoor de pomp minder efficiënt wordt.
–
De leiding aan de aanzuigzijde van de pomp moet zo kort mogelijk zijn.
–
Bij de meeste installaties adviseren wij een klep te installeren op zowel de aanzuig- als de retourleiding
van de pomp, wat handiger is voor routineonderhoud. Wij adviseren hierbij ook dat een op de
aanzuigleiding geïnstalleerde klep, elleboog of T-stuk op een afstand van minimaal vijf keer de diameter
van de aanzuigleiding van de voorzijde van de pomp wordt geplaatst.
–
De pompuitlaatleidinginstallatie moet worden voorzien van een terugslagklep om de pomp te beschermen
tegen de gevolgen van recirculatie van het medium en waterslag bij het stoppen van de pomp.
3.3 Kleppen en fittingen
–
Ellebogen mogen zich niet dichter dan 350 mm van de inlaat bevinden. Installeer geen 90°-ellebogen direct
op de pompinlaat/-uitlaat. De verbindingen moet goed vastzitten.
–
Bij natte aanzuigsystemen moeten afsluitkleppen worden geïnstalleerd op de aanzuig- en retourleiding
voor het onderhoud. De afsluitklep op de aanzuigleiding moet zich echter op een afstand van minimaal
zeven keer de diameter van de aanzuigleiding bevinden, zoals beschreven in dit hoofdstuk.
–
Gebruik een terugslagklep in de retourleiding wanneer u deze pomp gebruikt voor een toepassing
waarbij de uitlaat van de pomp zich op grote hoogte bevindt.
–
Zorg ervoor dat u terugslagkleppen installeert wanneer u de pomp parallel met andere pompen
installeert. Dit voorkomt het in omgekeerde richting draaien van de waaier (schoepenrad) en de motor.
3.4 Controles vóór de eerste inbedrijfstelling
–
Controleer of de pompas onbelemmerd draait;
–
Controleer of de voedingsspanning en -frequentie overeenkomen met het typeplaatje;
–
De motor moet in de richting van de klok draaien;
–
Het is verboden de pomp zonder water te laten werken.
34