GEBRUIKSAANWIJZING VOSS.FARMING XTREME DUO RF
Storing/probleem
Het
schrikdraadapparaat
werkt niet
Het LED-controlelampje
knippert rood
Het LED-controlelampje
knippert rood en het
alarm klinkt.
Er verschijnt geen
signaal op het LED-
controlelampje
De afleiding of
kortsluiting in de
voeding van de
omheining
Slechte aarding
Spanningsverlies/
afleiding op de
omheining
41550 - 11.2024 - V04
Oplossing
∙
Haal het apparaat van de omheining en zet het weer aan. Als het
blauwe of paarse LED-lampje brandt en het gele of groene LED-
lampje op de BARGRAPH knippert, dan is het apparaat in orde. Is
dat niet het geval dan is het apparaat beschadigd (raadpleeg de
serviceafdeling)!
∙
Controleer bij het gebruik van een accu de juiste polariteit en de
aansluiting op het apparaat.
De accuspanning is lager dan 12V. Vervang de accu door een accu met
voldoende lading of sluit het apparaat aan op het 230V elektriciteitsnet.
∙
De accuspanning is lager dan 11.6V. Vervang de accu door een
accu met voldoende lading of sluit het apparaat aan op het 230V
elektriciteitsnet.
∙
Controleer of de omheining plotseling belast werd (een tak die
afbreekt, een verstrikt geraakt dier etc.) of de spanning lager
werd. Elimineer de oorzaak.
Het schrikdraadapparaat werd handmatig uitgeschakeld of de
accuspanning is onder 11,4V gezakt en de omheining werd automatisch
uitgeschakeld. De reden is dat de accu daarmee tegen volledige
ontlading (en daarmee beschadiging) wordt beschermd. Vervang de
accu door een accu met voldoende lading of sluit het apparaat aan
op het 230V elektriciteitsnet.
Info
Zolang de accuspanning niet minstens 12V bereikt, brandt
het rode LED-lampje.
Gebruik voor de stroomtoevoer geen traditionele kabel. Wij adviseren
om een hoogspanningskabel te gebruiken (art. 32611).
∙
Lees de tips in hoofdstuk 7.4.
∙
Controleer of de aardingspen verroest is. Vervang verroeste
aardingspennen.
∙
Controleer of de kabels/verbindingen intact zijn. Vervang defecte
onderdelen.
∙
Verwijder vegetatie bij de omheining (maaien, snoeien).
∙
Controleer of de isolatoren defect zijn (te herkennen aan 'knallen'
en in sommige gevallen vonken in de isolator). Vervang kapotte
en verweerde isolatoren.
∙
Controleer of de geleiders de grond raken (bijv. door breuken,
onvoldoende mechanische spanning). Repareer de omheining,
gebruik enkel speciale verbindingselementen en span de geleiders.
∙
Controleer of de geleiders ongunstige eigenschappen hebben
(dunne geleider, hoge weerstand). Gebruik hoogwaardige geleiders
met een geringe weerstand en een grotere doorsnede. Zorg voor
een kwalitatief hoogwaardige bedrading van de geleiders.
∙
Zorg ervoor dat de geleiders niet door knopen verbonden zijn
en dat de verbindingen in orde zijn. Gebruik geschikte, speciale
verbindingselementen voor de geleiders.
DE
EN
FR
IT
NL
SV
ES
153