Afbeelding G
Beschermrand (19) als bescherming tegen schuren op de drager (85) onder de koplamp links en rechts en op de
langsligger links (84) zoals afgebeeld bevestigen.
Afbeelding H
Moeren (86) met ringen verwijderen, houder (13) aanbrengen en met de moeren (86) en ringen bevestigen.
Afbeelding I
Parkeerverwarmingskabelbundel A op voorgemonteerd parkeerverwarmingsapparaat (12) aansluiten, parkeerver-
warmingsapparaat (12) aanbrengen en de tapschroeven (42) op de houder (13) bevestigen.
Houder (14) uitlijnen, boorgat voor vastklinkmoer (41) op wielkast (87) aantekenen, met boor Ø 9 mm doorboren en
vastklinkmoer (41) bevestigen.
Houder (14) met de zeskantschroef M6x12 (39) op de wielkast (87) bevestigen en tapschroef ter bevestiging van
de houder (14) op het parkeerverwarmingsapparaat (12) vastdraaien.
Uitlaatgasslang (18a) met slangklem (38) op de geluiddemper (16) aansluiten en door het doorvoerbuisje (15) naar
buiten leggen.
Brandstofleiding (9) met aansluitstuk (33) en slangklemmen (10) op parkeerverwarmingsapparaat (12) aansluiten.
Terug naar hoofdstuk 2
3-48/NL