► P. 3, afb. 1
1. Mondstuk
2. Drukregelventiel
3. Spuitstang
4. Slang
5. Afsluitventiel
6. Pomp
7. Gordel
8. Tank
9. Drukaflaatventiel
10. Trechter
11. Pomphandvat
Structuurdiagram en opbouw
► P. 4, afb. 2
1. Kegelsproeier (1×)
2. Wervelkern (1×)
3. O-ring spuitlans ø 10,7×1,8 (1×)
4. Wervelmondstuk (1×)
5. Mondstukdop (1×)
6. Mondstukfilter (1×)
7. Buigelement (1×)
8. Afdichtschijf (1×)
9. Ventiellichaam (1×)
10. Ventielplaatjes (1×)
11. Ventielstoppen (1×)
12. Veer (1×)
13. Kleppendeksel (1×)
14. O-ring spuitlans (2×)
15. Spuitlansdop (2×)
16. Spuitlans (1×)
17. Afsluitlichaam (1×)
18. Afsluitbout (1×)
19. Drukhendel (1×)
20. Afdichtring greep (1×)
21. O-ring ø 6,8×1,6 (2×)
22. Ventielstoppen (1×)
23. O-ring ø 7,9×19 (1×)
24. Afsluitveer (1×)
25. Afsluitdichting (2×)
26. Afsluitmoer (2×)
27. Afsluitgreep (2×)
28. Slangdop I (1×)
29. Slang (1×)
30. Afblaasventielnaald (1×)
31. O-ring ø 7,5×1,8 (1×)
32. Kap afblaasventiel (1×)
33. Veer afblaasventiel (1×)
34. Veer borgring (2×)
35. Vlakke onderlegring (1×)
36. Trechter (1×)
37. Onderlegring trechter (1×)
38. Tank (1×)
39. Gordelring (2×)
40. Gordelbevestiging (2×)
41. Gordel (1×)
42. Slangdop II (1×)
43. Aansluitstuk (1×)
44. Aanzuigslang (1×)
45. Kleine zeef (1×)
46. Waterdichte onderlegring (1×)
47. Afdichting pomp (1×)
48. Cilinder (1×)
49. Pomphandgreep (1×)
50. Cilindermoer (1×)
51. Geleidingsvoet (1×)
52. Zuiger (1×)
53. Zuigerring (1×)
Ingebruikneming
Voor elk gebruik moet gecontroleerd worden of het
toestel correct werkt en bedrijfsklaar is, minstens
echter op uiterlijk herkenbare schaden. U dient niet
meer spuitvloeistof klaar te maken dan u nodig heeft.
Let er bij het vullen op, dat er niets langs het reservoir
loopt en niets terugspat. Gebruik daarom een trechter
en een zeef.
Bediening
Aanwijzing: Controleer bij het uitpakken
dat alle in de paklijst genoemde onderde-
len aanwezig zijn voordat u de assem-
blage volgens de afbeelding uitvoert.
Assemblage van de spuitkop
► P. 5, afb. 1
Assemblage van de spuitlans
► P. 5, afb. 2
Sproeien
► P. 5, afb. 3
Vóór het sproeien de pompgreep vasthouden om het
onderste uiteinde ervan in de groef van de gelei-
dingsvoet te drukken en de handgreep draaien om de
pompeenheid te verwijderen, zodat de tank tot het
nominale volume met de voorbereide spuitchemica-
liën kan worden gevuld. Daarna kan de pomp worden
teruggeplaatst en kan er worden gepompt om de tank
te vullen (controleer dat de afsluitklep gesloten is).
Als de druk in de tank stijgt, kunt u het afsluitventiel
ingedrukt houden en met puntsgewijs of continu spui-
ten beginnen. De sproeiklep kan worden gevarieerd
om het van de plant afhankelijke juiste sproeitype in
te stellen.
Regeling van het afsluitventiel
► P. 6, afb. 4
• Puntsgewijs spuiten
► P. 6, afb. 5
• Continu spuiten
Over het drukregelventiel
Het drukregelventiel is een belangrijke schakel in de
vermindering van de sproeipuls, bij het garanderen
van een uniforme sproeipuls, het minimaliseren van
de milieu-impact en het verbeteren van ongedierte-
bestrijding.
Het drukregelventiel is doorgans gesloten, met een
openingsdruk van 1,4 ± 0,2 bar en een sluitdruk van
1 ± 0,15 bar. Als de druk in de tank tot boven de inge-
NL
59